• Vechtstraat 22, 8051 JC, Hattem
  • secretariaat@oekraine-projecten.nl
  • januari 24, 2026

Update uit Oekraine – 24 januari 2026

Update uit Oekraine – 24 januari 2026

Sinds begin januari reizen Jens en Casper door Oekraïne om de mensen een beetje hulp en hoop te bieden. In deze blog vertellen ze over wat ze al hebben gedaan – en wat ze nog gaan doen. 

Dank je wel voor het lezen van deze blog. De verhalen van de mensen die we ontmoetten mogen niet verdwijnen; zij zijn al genoeg kwijtgeraakt. Als ik bij mensen ben, vertel ik altijd dat we voor hen bidden. Niet alleen wij, maar ook kerken in Nederland. De reacties daarop, een glimlach of soms tranen, laten zien hoe veel het betekent om niet vergeten te worden. Dat motiveert ons om door te gaan, en hopelijk jou om te blijven bidden en, wanneer het kan, geld te doneren of spullen in te zamelen.

Wat in Nederland wordt gegeven, verandert hier in concrete hulp, vaak voedselpakketten — en van daaruit in aandacht. Want uiteindelijk heeft ieder mens behoefte aan hetzelfde: gezien worden, een glimlach, iemand naast je.

De afgelopen twee weken reisden we door Midden- en West-Oekraïne. We deelden voedselpakketten uit, bezochten vluchtelingenkerken en spraken — samen met een psycholoog — met ontheemden. Deze blog is anders dan normaal. Geen overzicht of cijfers, geen grote woorden over dankbaarheid. In plaats daarvan deel ik twee verhalen die ik afgelopen week schreef. Ze laten zien wat er gebeurt als je de tijd neemt om iemand echt te ontmoeten.

De Zwolse rapper Sticks stelt in een van zijn nummers de vraag: hoe ziet jouw dag eruit als je het hebt over drukte? Die zin blijft bij me. Misschien omdat hij raakt aan iets wat we vaak om verschillende redenen vergeten: de ruimte om de ander echt te zien. Om niet meteen door te gaan, maar even te blijven. Dat kan overal — waar je ook bent, wie je ook tegenover je hebt staan.


Twee minuten

We zijn in Shakhvorostivka, een klein dorpje in het bos op 2 uur rijden van Kyiv. We komen er regelmatig, om voedselpakketten te brengen en uit te delen. De mensen die we ontmoeten zijn meestal oud. En arm. Dat waren ze vóór de oorlog ook al, maar sindsdien is alles zwaarder geworden. Er was weinig, maar ze hadden elkaar. Door de oorlog is zelfs dat weggenomen. Gezinnen zijn uit elkaar getrokken. De oude mensen missen hun kinderen. Ze zijn gevlucht. Zonen vechten of zijn gestorven. Het materiële tekort maakt steeds vaker plaats voor een emotionele leegte. Het opvullen van die leegte is moeilijk, dat kan enkel met een beetje aandacht. Een arm om de schouder, een grapje, een glimlach.

We delen, samen met een contactpersoon, 88 pakketten uit. Ze spreekt geen Engels en we hebben geen tolk mee, waardoor de ontmoetingen kort zijn en de gesprekken feitelijk blijven. Jammer. Het geven van een voedselpakket zonder ontmoeting of bemoediging voelt leeg. Heel soms vang ik wat verhalen op. Zo ontmoeten we een man wiens tenen eraf zijn gevroren tijdens zijn periode in de gevangenis, een vrouw die niet meer van bed weg kan omdat ze hartproblemen heeft en smeekt om medicijnen, een oud echtpaar dat niet meer buiten komt en hun behoefte letterlijk uit het raam doet en een vrouw die in huilen uitbarst omdat ze vertelt dat ze haar zoon, die aan het front vecht, al 2 weken niet heeft kunnen bereiken. Het is vervelend om haar verhaal aan te horen en er verder niks mee te kunnen. Ik houd het verhaal in mijn achterhoofd, in de hoop dat het later alsnog woorden krijgt.

We slapen bij de moeder van onze contactpersoon. Ook zij spreekt geen woord Engels, maar ze kent ons, en dat is genoeg. Ze is een stevige, opgewekte vrouw die veel lacht. In het dorp is ze meer dan alleen moeder van één gezin; ze is een soort moeder voor iedereen. Wanneer we pakketten uitdelen, komen mensen die nog mobiel zijn naar haar huis om er een op te halen. Zij zet thee, houdt overzicht, zorgt voor de sfeer. De taalbarrière is in dit dorp groter dan op andere plekken. Er wonen bijna alleen nog ouderen, en er is niemand die kan vertalen. Ik moet denken aan een eerdere reis, toen we in dit dorp schoenendozen uitdeelden op de basisschool. Er zou een Engels docente aanwezig zijn, dus dat moest goedkomen. Toen de docent ons vervolgens begroete met een opgewekte ‘bonjour’, wisten we genoeg. Het gaat wel vaker fout: afgelopen weekend vroeg ik iemand met Google Translate hoeveel spullen hij mee kon nemen tijdens zijn vlucht. Zijn antwoord: ik heb helemaal geen vliegtuig.

Dag twee in Shakhvorostivka. We willen opnieuw pakketten inpakken en uitdelen, maar die ochtend bereikt ons verschrikkelijk nieuws. In een dorp verderop, waar we later die dag voedselpakketten zouden uitdelen, is die nacht een huis volledig afgebrand. Binnen waren drie kinderen. De moeder en twee van hen zijn overleden en geïdentificeerd. Het derde kind is nog niet gevonden. Over de vader is niets bekend. Ook de oorzaak van de brand blijft onduidelijk. Terwijl we het verhalen aanhoren en stilvallen, gaat de telefoon. We horen dat er een grote aanval op een stad in de buurt plaatsvindt. Het besluit is snel genomen: vandaag doen we het rustiger aan.

Nu we geen plannen meer hebben, vraag ik onze contactpersoon of we de vrouw van gisteren kunnen bezoeken — de vrouw die huilde om haar zoon aan het front, die ze al twee weken niet had kunnen spreken. Haar verhaal laat me niet los. Niet alleen omdat het aangrijpend is, maar omdat ik vermoed dat ze het nergens kwijt kan. Journalisten reizen door Oekraïne, van stad naar stad, met een focus op het front. Ik begrijp het wel, maar ik weet ook dat je daardoor veel verhalen voorbijrijdt. Juist hier, ver weg van snelwegen en camera’s, wordt de oorlog in stilte geleefd.

We lopen naar het huis en kloppen aan. Ik ben benieuwd hoe ze zal reageren, en of ze haar verhaal kan en wil delen. Ze is blij ons te zien, maar de sfeer slaat al snel om. Gisteravond werd ze gebeld door haar zoon. Het gesprek duurde twee minuten. Hij vertelde dat hij leeft, dat hij druk aan het werk is. Waar hij vecht, mag hij niet zeggen.

Ze vertelt ook over de man van haar dochter, die eveneens vecht. Terwijl ze praat, begint ze te trillen. Net als ik het gesprek een andere richting wil geven, neemt zij zelf de regie. Ze bedankt ons dat we zijn gekomen. Zegt dat ze zich heel alleen voelt. Ze pakt mijn hand vast en laat die pas na een tijdje los. We zeggen niets. We kijken elkaar recht in de ogen aan. Dat is genoeg.

Onderweg terug naar het huis van onze contactpersoon gaat de telefoon. Het is haar zus. Ze werkt samen met de vader van het gezin waarvan het huis is afgebrand. Er zijn meer details bekend.

Toen de moeder het vuur ontdekte, bracht ze haar jongste zoon van twee, met wie ze in één kamer sliep, naar buiten. Ze legde hem in de sneeuw. Daarna ging ze terug om haar twee dochters van vier en vijf te redden. Dat lukte niet meer. Ze kwamen alle drie om. De vader had nachtdienst, samen met de zus van onze contactpersoon, en was dus niet aanwezig. Hij kan het niet bevatten. Hij schreeuwt tegen iedereen die hij tegenkomt dat hij zijn vrouw wil bellen. Het gezin van vijf is in één nacht teruggebracht tot twee. Dit land is kapot. Uitgeput. Besmet door angst. Bespuugd door geweld.

We vervolgen onze weg in stilte. Wanneer we thuiskomen, rennen de zonen van onze contactpersoon ons tegemoet. Ze zijn blij dat hun moeder weer thuis is.


Vierennegentig

We zijn in Poninka, bij een kapelaan thuis. Een kapelaan is een dominee die langs het front reist om soldaten te bezoeken en te bemoedigen. We ontmoetten hem een jaar geleden bij een van onze contactpersonen. Sindsdien hielden we contact via Instagram: korte berichten, duimpjes, af en toe een foto. We vroegen hem of we eens met hem mee op pad mochten. Dat mocht. Uiteraard kwamen we niet met lege handen, maar met een bus vol hulpgoederen. Die delen we de laatste week van januari uit in de regio Soemy, dicht tegen de Russische grens.

De dag begint met ontbijt. Brood, snel gevolgd door taart, en veel te sterke thee. De neef van de kapelaan zit ook aan tafel. Hij heeft een paar weken vrij, maar draagt zijn uniform nog. Hij spreekt geen woord Engels. De kapelaan nauwelijks, maar genoeg. Het gesprek loopt stroef. Ik wil niet altijd over die verdomde oorlog beginnen, maar veel meer valt er niet te bespreken. Het weer. Het eten. Alles is al gezegd. Via de kapelaan vraag ik of zijn neef vrienden heeft aan het front.

Niet meer, luidt het antwoord. Ze zijn allemaal al dood. Ik knik en schenk nog een kop thee in.

Later die dag kopen we extra hulpgoederen, met geld uit Nederland. Donaties van mensen die geven zodra ze weten dat we weer naar Oekraïne gaan. Al die euro’s, verzameld aan keukentafels ver weg, worden hier rijst, noedels en olie en komen bij de allerarmsten terecht. We laden onze bus uit bij het kerkgebouw van de kapelaan. De banken zijn aan de kant geschoven. De hulpgoederen staan netjes uitgestald op de koude vloer. Aan de muren hangen vlaggen van verschillende brigades die de kerk ondersteunt.

’s Avonds is er een bijbelclub voor meisjes uit de gemeente. Vanwege de kou komen er maar drie. We zitten aan een tafel die precies groot genoeg is voor dit gezelschap. We leren elkaar kennen. Hobby’s. School. De vragen die je hoort te stellen. Ze spreken nauwelijks Engels, maar doen hun best. Ze lachen verontschuldigend als ze een woord niet weten.

Ik vertel wat ik studeer. Hoeveel zussen ik heb. Dat ik graag naar concerten en voetbalwedstrijden ga. Dat mijn oma vierennegentig is. Dat ze de Tweede Wereldoorlog meemaakte en haar vader daarin verloor. Dat ze daar haar hele leven last van heeft gehouden. Ik weet niet waarom ik dit vertel. Misschien omdat ik anders alleen maar leuke dingen deel, en dat niet eerlijk voelt, bedenk ik me later.

Iedereen komt aan de beurt. Eén meisje zegt weinig. Als ze praat, kijkt ze naar haar thee. Ze vertelt dat haar vader in het ziekenhuis ligt. Gewond geraakt aan het front. Hij ligt ergens in Charkiv. Diezelfde avond wordt hij geopereerd. Ze weet nog niet hoe het zal aflopen. Terwijl ze praat, roert ze met een houten staafje door haar kartonnen beker. Er zit niets meer in.

Een ander meisje, de meest spraakzame van de drie, doorbreekt de stilte door te vertellen dat haar vader ook in het ziekenhuis ligt. Granaatscherven in zijn hoofd. Opereren is te gevaarlijk.

Het derde meisje zegt niets. Ze heeft geen vader meer.

Ik denk aan mijn oma. Aan hoe ze opgroeide zonder vader. Aan hoe het gemis nooit verdween. Sterker nog: hoe het, naarmate ze ouder werd, alleen maar zwaarder leek te wegen. Ik kijk naar de drie meisjes aan tafel en probeer me voor te stellen wat hen nog te wachten staat. Hoeveel stilte. Hoeveel gemis. En in hoeveel generaties dat nog zal doorwerken. Ik wil er niet te lang bij stilstaan, dus lach ik gemoedelijk naar ze. Hopelijk hebben ze daar iets aan.

In een land dat gebroken is, liggen de verhalen voor het oprapen. Ze zijn heftig, en reizen zoals deze zijn zwaar. Niet zozeer fysiek, maar vooral mentaal. Omdat de verhalen elkaar in hoog tempo opvolgen, is er vaak nauwelijks tijd om echt stil te staan of te verwerken. Dat gebeurt onderweg, in de auto, of ’s nachts in bed. Muziek helpt mij daarbij. Hoe bijzonder dat juist afgelopen week mijn favoriete band een nieuw nummer uitbracht, met daarin de volgende tekst:

It’s the long surrender
On our knees where Heaven gets found
We will wait with the lost and weary
While You turn the weight of our sorrows into a crown
—
Het is de lange overgave
Op onze knieën, waar de hemel te vinden is
We wachten samen met de verlorenen en vermoeiden
Terwijl U het gewicht van ons verdriet verandert in een kroon

 Needtobreathe – the long surrender

Tot slot: Maandag vertrekken we naar de regio Soemy. Dichter bij Rusland zijn we nog niet geweest. Na die reis zijn we kort in Kyiv. Via Hongarije, waar vrienden van ons naartoe zijn gevlucht, rijden we vervolgens terug naar Nederland. We hopen op 5 februari thuis te komen. We vragen om gebed voor de reis, maar bovenal voor de mensen die we zullen ontmoeten.

Slava Bohu – Glorie aan God

Geef Hoop deze winter. HELP en doneer!